Parc Chlorophylle - recreatiebos van Manhay in Dochamps

Animatie stopzetten

Animatie 9

Loofhout of naaldhout?

Bomen en een bank

 

In onze streken verliezen de meeste bomen in de herfst hun loof. Enkele bomenfamilies hebben daar evenwel iets op gevonden, door bladeren te ontwikkelen die niet bevriezen, omdat ze beschermd zijn door een dun waslaagje. Dat is het geval voor de naaldbomen die het hele jaar door groen blijven.

De Taxus, ijf of venijnboom, een van de weinige echt inheemse naaldbomen, gaat in onze bossen al meer dan een eeuw sterk achteruit. Het is eigenlijk meer een forse struik ( 10 à 15 m ) dan een boom, die zeer langzaam groeit, maar wel duizend jaar oud kan worden.

De Douglasspar is van oorsprong een Noord-Amerikaanse boomsoort. De laatste tientallen jaren is deze boom in de bossen van de Ardennen veel aangeplant ter vervanging van de fijnspar. Lengte van 40-50 meter. Hij is te herkennen aan zijn bruinrode, spitse knoppen en zijn ovalen kegels.

De fijnspar is zonder twijfel de meest voorkomende boom van de Ardennen, maar is hier niet inheems. Hij werd pas voor het eerst aangeplant in de tweede helft van de vorige eeuw. De stam heeft een egaal bruine, schubachtige schors, de takken zijn bezet met knobbeltjes, waardoor ze ruw aanvoelen.

De uit Centraal-Europa afkomstig lork is een van de weinige naaldbomen die net als de loofbomen in de herfst kaal wordt. Hij kan 40 meter hoog worden.

De zwarte den is afkomstig uit Zuid-Oost Europa en is in de Ardennen minder algemeen ( vooral aangeplant op kalkgronden ). Lange ( 10 à 15 cm ) donkergroene naalden. Kan 40 meter hoog worden.

De alombekende beuk is een van de meest verspreide bomen van onze streken en neemt dikwijls een overheersende plaats in onze bossen. De gave, gladde schors is grijsgroen van kleur. Oktober-november is de periode van de beukennootjes. Eenmaal op de grond gevallen worden ze door veel dieren graag gegeten, nu o.m. door everzwijnen, maar vroeger ook door vee dat in het bos werd geweid.

Van de eik, deze “ koning van het woud “, komen in de Ardennen verschillende ondersoorten voor. Het is een forse boom met een brede kruin, die 30-40 m hoog kan worden. In zijn jeugd is zijn schors grijs, later wordt ze bijna zwart van kleur en vertoont ze diepe groeven. Eikels vormen in de herfst voor veel dieren een belangrijke voedselbron.

De typische witte schors maakt dat deze boom gemakkelijk te herkennen is. De berk is een echte pioniersoort, en dikwijls een van de eerste bomen die opslaat op open plekken. Hij kan 20-25 meter hoog worden.

De haagbeuk is in onze bossen niet zo algemeen als de eik of de beuk en wordt door de wandelaar vaak over het hoofd gezien. Hij kan 25-30 meter hoog worden.

De lijsterbes is vooral in de herfst een opvallende verschijning, wanneer hij getooid is met trossen oranjerode bessen.Vogels zijn er verzot op en door de bessen te eten helpen ze bij de verspreideing van de soort.

Terug naar plan